Waarom de (lange) geschiedenis van Seat veel boeiender is dan je vandaag misschien denkt

Waarom de (lange) geschiedenis van Seat veel boeiender is dan je vandaag misschien denkt

20/07/2026 - 08:44Alain Devos

Spanje is wereldkampioen voetbal, dat nieuws is ongetwijfeld al bekend. We doen hier op Auto-info.be hoogstens af en toe een beetje aan autosportverslaggeving, maar vonden een Spaans verhaal vandaag toch ook wel even ‘gepast’. Seat vierde vorig jaar zijn 75ste verjaardag, met een beetje vertraging vieren we graag nog even mee.

Dat we Seat vandaag meteen met Volkswagen associëren en er op recent nog een test van de opgewaardeerde Ibiza na al een tijdje niet echt veel aandacht meer aan besteden, is niet meer dan logisch. Alle modellen uit de huidige catalogus gebruiken technologie van het Duitse moedermerk, maar er werden er nu toch al verschillende jaren geen nieuwe meer gelanceerd en er zit in het aanbod ook nog altijd geen enkele elektrische auto. Voor het grote nieuws moet je nu bij het als onafhankelijk merk opererende Cupra zijn, daar gebeurt wel haast voortdurend wat. Of Seat dan echt gedoemd is om langzaam weg te deemsteren? Ach, daar lijkt het toch wel enigszins op. De volgende jaren komt er nog altijd geen nieuw model, de overigens wel nog altijd populaire Ibiza en co moeten het dus nog een tijdje uitzingen. Maar ze kunnen in Spanje natuurlijk niet aan die elastiek blijven rekken.

Liever achteruit

In onze retroverhalen blikken we echter zelden vooruit, maar voor ons plezier natuurlijk wel heel graag achteruit. Op 9 mei 1950, dus ondertussen net iets meer dan 76 jaar geleden, werd Seat S.A. opgericht met de ambitie Spanje of dus toch de Spanjaarden op wielen te zetten. Het duurde nog tot 1953 voor er met de 1400 een eerste auto werd afgeleverd, daar werden in de Zona Franca-fabriek in Barcelona toen vijf exemplaren per dag van geproduceerd. Dat tempo werd na een tijdje natuurlijk stevig opgevoerd, veertig jaar lang werden er iconische modellen als de 600 en 127 gebouwd.

In 1993 werd in Martorell eindelijk een nieuwe, aanzienlijk grotere en natuurlijk ook veel modernere fabriek in gebruik genomen. Dat viel samen met de lancering van de er geproduceerde tweede generatie van de Ibiza en Cordoba. De dagproductie bedroeg er toen 1.500 auto’s. Vandaag rolt er elke 40 seconden eentje van de band, dat zorgt voor zo’n 2.300 wagens per dag. Op het moment van het feestje voor de 75ste verjaardag stond de teller voor Seat S.A. toch al op 20.590.594 voertuigen, het zijn er dus ondertussen nog wat meer.

Rode draad

Naast Barcelona en Martorell is er ook nog een productiecentrum in El Prat, bij Seat S.A. wijzen ze er graag op dat ze het enige bedrijf zijn en blijven dat in Spanje auto’s ontwerpt, ontwikkeld en produceert. Het eerste gebeurt onder meer in het in 1975 geopende Technical Centre, dat vierde in 2025 dus zijn 50ste verjaardag.

De 1200 Sport was het eerste model dat er volledig zelf werd ontwikkeld. Daarmee kunnen we het meteen ook hebben over wat toch een beetje de rode draad doorheen de hele Seat-geschiedenis is. De Spaanse autobouwer heeft voor zijn sinds 1953 in totaal 77 gelanceerde modellen quasi altijd gebruik gemaakt van platformen en nog heel wat andere technologie van buitenlandse moederbedrijven. Vandaag is dat de Volkswagen-groep, minder bekend bij het jongere volk is misschien dat het daarvoor ook heel lang Fiat was.

Wat voorafging

De oprichting van Seat of voluit Sociedad Espanola de Automoviles Turismo was het resultaat van een joint venture tussen het tot de overheid behorende Instituto Nacional de Industria, enkele Spaanse banken en het Italiaanse Fiat. Tot dan stelde de auto-industrie in het economisch nog niet zo sterk ontwikkelde land nauwelijks wat voor. Eigenlijk wist alleen Hispano-Suiza wat luxewagens voor enkele welstellende burgers te produceren, voor de overgrote meerderheid van de Spanjaarden was gemotoriseerd privévervoer op vier wielen toen echter nog niet denkbaar. Er waren wel al enkele buitenlandse autobouwers actief, vaak met lokale assemblage van ingevoerde onderdelen. Maar tijdens de van 1936 tot 1939 durende Spaanse burgeroorlog viel dat ook zowat helemaal stil.

Het zorgde ervoor dat enkele ambitieuze industriële bedrijven en een bank in juni 1940 al de Sociedad Ibérica de Automoviles de Turismo of S.A.I.T. oprichtten, wat dus eigenlijk als zowat de voorloper van Seat mocht worden gezien en bedoeld was als een 100 procent privé-onderneming. Al snel kwam de Spaanse overheid er zich, op ‘bevel’ van de Franco-regering, toch mee moeien. Het plan was dan ook duidelijk: Spanje mocht zich niet langer beperken tot het onder licentie bouwen en verkopen van buitenlandse auto’s, maar zou de volledige ontwikkeling en productie van eigen voertuigen in dus het eigen land realiseren.

Gebrek aan expertise

Het gebrek aan expertise in de autosector noodzaakte dat er voor de opstartfase toch weer een buitenlandse partner moest worden gezocht, maar de inmiddels uitgebroken Tweede Wereldoorlog en de door de eigen burgeroorlog achtergelaten puinhopen maakten sowieso al dat het hele project diende te worden uitgesteld. Tot 1950 dus, met de doorstart van het inmiddels in Seat herdoopte bedrijf. Zo’n anderhalf jaar eerder was er door de Spaanse regering en zes banken al een alliantie-overeenkomst met Fiat getekend. Volkswagen – echt waar – had toen ook al interesse, maar de voorkeur ging dus naar de Italianen. Die hadden met hun samenwerking met het Franse Simca al bewezen ‘complexe’ internationale projecten aan te kunnen. De financiële middelen van potentiële Spaanse autokopers waren in die dagen ook zowat vergelijkbaar met die van de Italianen, de (povere) kwaliteit van het wegennet was dat trouwens evengoed.

De bouw van de Seat-fabriek in de taksvrije haven van Barcelona begon in 1950 en werd zo’n drie jaar later voltooid. Op 13 november 1953 rolde er met de 1400 een eerste auto van de band. Op dat moment waren er in Zona Franca 925 mensen aan de slag, een aantal dat snel zou stijgen. Tegelijk met het opdrijven van de productie van de op een Fiat met hetzelfde cijfer als voornaam gebaseerde berline vestigden er zich ook meer toeleveranciers, een industie die in Spanje evengoed nog zowat helemaal diende te worden gecreëerd.

Nood aan kleiner model

De 1400 gold echter als een luxewagen die te duur was voor een groot publiek, er moest dus een tweede en goedkoper model komen. Die hadden ze bij Fiat gelukkig ook wel in de catalogus staan, zo kon in 1957 al de Seat 600 worden gelanceerd. Tot de hierboven al eens vermelde 1200 Sport in 1975 en eigenlijk langer dan aanvankelijk gepland, bleef Seat auto’s als de 124 en 127 van zijn Italiaanse partner bouwen en in het beste geval een ‘beetje’ aanpassen aan de noden van de eigen markt. Met de 800, een verlengde vierdeursvariant van de 600, werd in 1963 uitzonderlijk wel eens een auto gelanceerd die Fiat niet zelf uitbracht.

Tegen het midden van de jaren 60 was Seat het grootste automerk in Spanje, voor onder meer de lokale afdelingen van Renault, Citroën, BMC (als Authi) en Chrysler (als Barreiros). Er werd in die periode ook met Fiat overeengekomen dat Seat auto’s naar andere landen mocht beginnen uitvoeren, in ruil kregen de Italianen een groter aandeel van 36 procent in het bedrijf. Ook al hadden ze nog niet de meerderheid, in de praktijk controleerden ze wel zowat de hele handel.

Ruzie met Fiat

In de jaren 70 verhoogde de levensstandaard in Spanje snel en steeg dus ook de vraag naar auto’s. Tegen het einde van het decennium begon Seat zelfs met de lokale productie van enkele hoger in de markt te situeren Lancia’s. Begin jaren 80 raakte de Spaanse regering het echter grondig oneens met de Italiaanse partner en aandeelhouder. Madrid wenste nieuwe en ook wel grote investeringen, maar Fiat wilde die niet meteen doen. Het resultaat was een heuse breuk in 1982, zo’n 30 jaar na het begin van de samenwerking. Het verraste de Spaanse en bij uitbreiding de hele Europese economische wereld, aangezien het land op dat moment mooie groeiperspectieven had.

De eerste zonder Fiat-input gelanceerde Seat, met dan ook een nieuw logo, was de wel nog heel sterk op de Italiaanse Ritmo lijkende Ronda. Fiat was daar niet gelukkig mee, maar een soort internationaal arbitragehof in Parijs oordeelde dat de verschillen toch groot genoeg waren om Seat er zijn gang mee te laten gaan. Lang zou de onafhankelijkheid echter niet duren. Reeds in 1982 begon de net aan het hoofd van Volkswagen geplaatste Carl Horst Hahn de mogelijkheid van een samenwerking met de Spaanse autobouwer af te toetsen.

Spaanse VW’s

Spanje liet sinds kort makkelijker buitenlandse bedrijven toe en net als Ford en General Motors zagen ze bij Volkswagen nog een groot potentieel in het land. De Spaanse regering was ook al samenwerkingen met Mitsubishi, Nissan en Toyota aan het bekijken, maar Hahn kreeg toch zijn zin en wist een industriële en commerciële deal met Seat af te sluiten. De Volkswagen Polo en Derby en de in Santana herdoopte Passat zouden lokaal worden geproduceerd.  

De Fiat-invloeden verdwenen echter niet zomaar. De in 1984 gelanceerde Ibiza had onderhuids nog wel wat gemeen met de Ritmo, maar maakte wel al gebruik van mede door Porsche ontwikkelde motoren. Het aanbod werd nog vergroot met de vierdeurs-Malaga, ook die familiewagen kreeg een belangrijke rol in het nog prille exportprogramma van Seat.

Volkswagen wordt baas

Op 18 juni 1986 kreeg de Volkswagen-groep 51 procent van het Seat-kapitaal in handen, dat aandeel werd nog voor het einde van jaar verhoogd naar 75 procent. Op 18 december 1990 kocht het ook de resterende 25 procent en werd Seat het eerste niet-Duitse filiaal van de groep. Wolfsburg wist al snel winst te maken met het bedrijf, de Spaanse fabrieken lieten ook toe om Volkswagens te bouwen met een lagere productiekost dan in het eigen Duitsland.

De rest van het verhaal is allicht veel beter bekend. Geleidelijk aan werden alle Seat’s afgeleiden van modellen van moederhuis Volkswagen en bij momenten zelfs Audi (met de op de A4 gebaseerde Exeo). Net zoals dat ook met het evengoed overgenomen en volledig in de groep geïntegreerde Skoda gebeurde. Op een zeldzame uitzondering na, zoals met de in Portugal gebouwde Alhambra, behielden de Spaanse auto’s wel een eigen look. Die hebben ze vandaag nog steeds, ook al ligt de toekomst van Seat S.A. sinds enkele jaren overduidelijk bij het in 2018 als nieuw ‘zustermerk’ opgerichte Cupra.

Onzekere toekomst

Tussen 2002 en 2007 mocht Seat samen met Audi en zelfs Lamborghini eventjes deel uitmaken van de prestigieuze Audi Brand Group en werd er vooral gefocust op sportieve eigenschappen, er was toen ook een sterk engagement in de circuitracerij. Vandaag liggen de kaarten voor Seat echter duidelijk anders. Het is alsof ze bij Volkswagen zelf nog altijd niet goed weten welk project ze nog voor het merk kunnen uitstippelen. Qua lancering van nieuwe modellen en ook toepassingen van nieuwe technologie krijgt Cupra in elk geval overduidelijk voorrang. Nog eens 76 jaar Seat? Het lijkt heel onwaarschijnlijk.

Gerelateerde berichten

Bekijk alles
Renault Twingo en Dacia Spring krijgen kleine betaalbare Nissan-neef: dit weten we al

Renault Twingo en Dacia Spring krijgen kleine betaalbare Nissan-neef: dit weten we al

2 september 2026William
Mazda 6e met nieuwe accu en vooral veel sneller snelladen

Mazda 6e met nieuwe accu en vooral veel sneller snelladen

1 september 2026Alain Devos
Een hele reeks vernieuwingen moeten Lexus NX naar een nog hoger niveau tillen

Een hele reeks vernieuwingen moeten Lexus NX naar een nog hoger niveau tillen

1 september 2026Alain Devos